PROLOOG (bewerkt 10-10-16)

 

 

 

10 September 2011

 

 

Bloed… Op mijn tong... Mijn lippen… Mijn gezicht voorover in een kleverige substantie. Mijn haren plakkend op mijn hoofd. Bloed op mijn handen als ik naar mijn hoofd grijp.  Oh mijn God…mijn bloed.

 

De penetrante geur van verschraalde aarde en rottende bloemen van de door haar vergeten plantjes in de kofferbak, dringt mijn neusgaten binnen en doet me bijna kokhalzen.

Mijn hoofd klopt en bonkt. Een stekende pijn trekt door mijn lijf. Ze heeft me aardig toegetakeld, dat klerewijf. Ik was er niet op bedacht toen ze met die schop op me afkwam, waarmee ik kort daarvoor nog de tuin heb zitten omspitten om haar godvergeten plantjes erin te zetten.

Net toen ik me voorover boog om de plantjes uit de auto te pakken, liet ze de schop met een harde klap op mijn hoofd neerkomen en ben ik voorover de kofferbak in gelazerd.

 

Aan de geluiden om mij heen maak ik op dat we op de snelweg rijden. Ze rijdt hard, heel hard. Het verkeer raast aan ons voorbij. Door de snelheid waarmee ze rijdt, wordt ik heen en weer geschoven in de kofferbak. Met moeite kan ik voorkomen dat ik met mijn hoofd steeds tegen de binnenkant van de bak beuk, waardoor ik nog verder gewond zal kunnen raken.

Kreunend van de pijn probeer ik me op mijn rug te draaien. Eindelijk lukt het me na verschillende, niets uithalende pogingen, mezelf om te gooien via mijn zij op mijn rug, wat extra bemoeilijkt wordt doordat ze mijn voeten aan elkaar vast getapet heeft.

Eenmaal gewend aan de duisternis kijk ik om me heen of er iets in de auto ligt waarmee ik het slot van de kofferbakdeksel open kan wrikken. Maar behalve de plantjes en een dekzeil, waar heeft ze die in godsnaam voor nodig bedenk ik koortsachtig, zie ik niets liggen waarmee ik dat klusje kan klaren.

Hoe lang ben ik buiten bewustzijn geweest? vraag ik mij af. Ik heb insuline nodig. Ik realiseer me dat ik zonder dat in coma zal raken en dan kan ik het zeker niet meer navertellen.

Tranen wellen in mijn ogen, stromen over mijn wangen en vermengen zich met mijn bloed. Het zoute vocht bijt in mijn wonden en ik probeer de tranen terug te dringen.

Ik beuk met mijn vuisten tegen de kofferbakdeksel tot mijn knokkels helemaal beurs zijn en beginnen te bloeden. Er komt geen beweging in het slot en ik probeer het nog met mijn voeten, maar ik heb te weinig ruimte om daar genoeg kracht mee te zetten.

Berustend bedenk ik dat er nog maar één optie is. Ik moet proberen om mij rustig te houden om zo energie en zuurstof te besparen, wat ik straks hard nodig zal hebben om tegenstand te kunnen bieden.

Ik kan niets anders dan afwachten totdat ze de auto aan de kant zal zetten en de kofferdeksel zal openen. Ze zal zich van mij willen ontdoen. Terwijl ik dat bedenk voel ik me steeds slapper worden en ik ben voor het eerst bang dat ik niet meer in staat zal zijn om mij te verweren.

Het is stikbenauwd in de kofferbak en mijn lichaam schreeuwt om water. Mijn keel voelt aan als schuurpapier, ruw en droog.

Net als ik de hoop begin op te geven en ik voel dat ik het bewustzijn weer dreig te verliezen, merk ik dat de auto vaart mindert, van de snelweg afgaat en een soort zandpad oprijdt. De auto hobbelt door gaten en kuilen, waarbij ik meerdere malen mijn toch al kapotte kop stoot aan de bodem van de kofferbak. Mijn beurse lichaam wordt heen en weer geslingerd en met een keiharde klap komt mijn knie  tegen de kofferdeksel aan, waardoor ik het luidkeels uitschreeuw van de pijn.

Net op het moment dat ik denk dat er geen einde aan het hobbelige pad lijkt te komen, staat de auto plotseling stil. Ik hoor het portier aan haar kant open gaan en met een klap weer dichtgegooid worden en even ben ik opgelucht dat er nu een einde komt aan mijn penibele situatie.

Ze opent de kofferdeksel en ik fluister, ‘water, dorst.’

‘Dat krijg je zo genoeg,’ gromt ze.

‘Jezus… je wilt me dood hebben…’ fluister ik schor bij het zien van haar satanische grijns.

Ze flikkert boosaardig met haar ogen.

Het is afgelopen met me. Dit is het einde besef ik, en ik hef met mijn laatste wilskracht mijn benen omhoog om haar een trap in het gezicht te geven zodra ze zich naar mij voorover buigt. Ik raak haar maar zachtjes, want mijn benen voelen net zo slap als elastiek.

Op dat moment hoor ik het andere portier ook open gaan. Ze is niet alleen…

Haar vuist komt onverwachts en hard. Mijn hoofd klapt opzij, haar gezicht draait en grijnst in een vreemde mimiek. Mijn maag draait zich om en de inhoud zoekt een uitweg langs mijn mond. Ik zak weg…de donkere diepte voelt als een bevrijding.