De Aangifte

Ze rijden met de auto van Peter weg en twintig minuten later parkeren ze voor het politiebureau. Als ze het bureau binnen willen stappen, meent Philip een heel eind verderop weer de donkerblauwe Volvo te zien. Hij kan vanaf deze positie de bestuurder niet goed zien, omdat de achterste ruiten zijn geblindeerd. Het kenteken is ook niet van deze afstand zichtbaar, want er staat direct achter de Volvo een andere auto geparkeerd, die hem het zicht op het nummerbord belemmert. Philip aarzelt even, maar gaat dan weer naar buiten en begint met grote passen naar de Volvo toe te lopen, ondertussen naar zijn vader roepend, dat hij de Volvo ziet staan. Peter was al binnen en komt onmiddellijk weer naar buiten toe, om achter Philip aan te gaan.

Deze begint nog sneller te lopen in de hoop dat hij René nu aan kan pakken. Nog een meter of vijftig, hij begint te rennen nu. Nog een meter of tien… achterom kijkend of zijn vader hem nog volgt, neemt hij een sprint. Peter loopt een heel stuk achter hem en Philip kijkt weer voor zich, net op tijd om de Volvo voor zijn neus  met een rotvaart weg te zien scheuren.

‘Verdomme,’ scheldt hij, ‘zo’n stukje scheelde het maar,’ wijzend met zijn duim- en wijsvinger uit elkaar. Gefrustreerd schopt Philip tegen de parkeermeter aan om daarna wanhopig zijn armen naar boven te strekken.

‘Heb je hem gezien Philip? Was het René?’ vraagt Peter die nu  hijgend aan komt lopen. Hij kon Philip maar met moeite bijhouden, ondanks dat zijn conditie niet zo slecht is.

‘Nee, er zitten voor de zon geblindeerde ruiten in, ik heb de bestuurder niet kunnen herkennen. En het kenteken heb ik zo gauw niet kunnen lezen. Ik was er zo op gefocust om het portier open te gaan trekken, shit, ik baal ervan als een stekker. Ik weet ook niet zeker, of het de Volvo van René was, maar het is wel verdacht dat deze er gauw vandoor ging, of niet dan?’ 

‘Ja, dat vind ik ook,’ valt Peter hem bij.

‘Laten we maar terug lopen en aangifte gaan doen. Hoe eerder ik dat gedaan heb, hoe liever het me is.’

Samen lopen ze nu in een rustig tempo terug, ondertussen rondkijkend of de Volvo nog weer langs komt rijden. Ze zien hem helaas niet meer en uiteindelijk stappen ze dan het bureau binnen.

Peter loopt naar de balie en vraagt naar rechercheur Westerik.

‘Rechercheur Westerik is momenteel naar een plaats delict,’ meldt de dame achter de balie, ‘ik verwacht hem vanmiddag weer terug op bureau. Wilt u misschien iemand anders spreken?’

‘Nee, ik wil liever Ronald Westerik spreken. Het gaat over een kwestie, die hij behandeld heeft. Kan ik een afspraak maken voor vanmiddag?’

‘Ik plan u vanmiddag om 14.00 uur in, schikt u dat?’

‘Ik vind het prima,’ antwoordt Peter.

‘Mag ik dan uw naam noteren?’

‘Mulder, Peter Mulder is mijn naam.’

‘Dank u wel, ik heb het genoteerd. Tot vanmiddag!’

Peter en Philip lopen weer naar buiten.

‘Dan kan ik er niet bij zijn ,’zegt Philip spijtig. ‘Ik moet om één uur weer werken. Zullen we dan maar naar huis gaan, om het één en ander op papier te zetten. Het is beter, dat je dat doet. Anders vertel je misschien dingen, die je liever niet had willen zeggen en andersom, vergeet je zo ook geen details.’

‘Dat is goed,’ mompelt Peter. ‘Laten we dat thuis nog maar even doornemen.’

Ze zijn nog niet goed en wel thuis, of de mobiel van Peter gaat.

Het is Leo, die gelijk van wal steekt.

‘Peter, goed dat ik je tref. Er is iets verschrikkelijks gebeurd.

Clara is vannacht om het leven gebracht. Ik heb het vanmorgen van Rikie gehoord, die het weer van  Bets gehoord heeft. Getuigen hebben gisteren een man gezien, die bij haar aangebeld heeft, en ze vermoeden dat die man later terug is gekomen en haar vermoord heeft. Ze is met een zwaar voorwerp op haar hoofd geslagen. Het is onvoorstelbaar, hoe gauw zoiets in het roddelcircuit doorverteld wordt. Heb jij haar gisteren nog gesproken?’ Geschrokken hoort Peter het aan.

‘Ja, ik heb haar gesproken, maar dat was bij de Bijenkorf, waar ze werkt. We hebben boven in het restaurant wat gegeten met z’n vieren. Maar weet je zeker dat het om Clara gaat? Ik hoop toch zo dat je het mis hebt.’

‘Dat weet ik héél zeker, Bets vergist zich daar niet in. Ben je niet naar haar huis geweest dan?’

‘Nee Leo, ik heb haar alleen gesproken bij de Bijenkorf.’

Peter wordt lijkbleek en denkt, dat ze mogelijk hem voor de dader houden. Hij heeft immers gisteren aangebeld bij Clara.