Nieuwe proloog

      PROLOOG

 

De snerpende oostenwind blies de al geel wordende bladeren van de bomen. De bladeren speelden een achtervolgingsspel in de lucht totdat ze uiteindelijk moegespeeld op het bospad bleven liggen. Zonder het spel met de bladeren had ze het ook geweten, de zomer was langzaamaan in de herfst overgegaan. De herinneringen duwden zich weer omhoog in haar hoofd. Ze waren op haar netvlies gekerfd. Ze trok de kraag van haar jas hoog op. Haar handen diep in de jaszakken gestoken, balden zich tot vuisten. Haar roodgelakte nagels drongen diep in haar handpalmen door. Zoals altijd wilde ze die handen weer om zijn nek leggen. Hij die haar zo beschadigd had, haar kind zijn had afgepakt. Ze had zo naar zijn liefde gesnakt, maar hij had het haar uiteindelijk niet kunnen geven. Niet de liefde die ze verdiende. Ze moest het doen. Ze hoorde het gekraak van zijn halswervels weer. De ogen die haar zo ongelovig aankeken en later wegdraaiden. De walm die uit zijn keel omhoogsteeg, het had de daad voor haar gemakkelijker gemaakt. Hij had deze straf verdiend, mocht er niet mee wegkomen. Het was net zo’n dag als vandaag geweest, jaren geleden alweer.

Voor haar voeten lag een ander lichaam, zijn voeten had ze vast getapet. Hij had haar om water gesmeekt, ze had er om moeten lachen. Water was er zo genoeg voor hem, terwijl ze haar blik over het meer liet gaan. Ze had zijn mond vrijgelaten en dus kon hij zo vrijuit drinken…