fragment

5. mei, 2016

Nors legt Ronald de telefoon neer. Dat zal hij nog wel eens zien. Hij laat zich de wet niet voor schrijven door zo’n verpleegstertje.

Ondertussen pakt hij het dossier er nog maar eens bij.

Wat heeft hij over het hoofd gezien? René van Kampen lijkt van de aardbodem verdwenen te zijn. Maar wie rijdt er dan in die Volvo rond?

Hij besluit om maar eens in de buurt van het woonhuis van Anneke en René te gaan vragen. Misschien hebben de buren nog wat op gemerkt. Of René thuis is geweest en wanneer ze hem voor het laatst gezien hebben.

Hij pakt zijn jas van de kapstok en vertrekt naar buiten.

‘Ik ben even weg,’ roept hij nog naar de receptioniste zonder antwoord af te wachten.

Hij stelt de Tomtom in op het huisadres van Anneke. Hij weet dat Anneke op haar werk is, dus kan hij rustig rondneuzen in de buurt daar.

Daar aangekomen, zet hij de auto een straat verderop. Op zijn gemak loopt hij de Vegastraat door in tuindorp waar Anneke woont, tot voor kort met haar man René. Wat een troosteloze straat, merkt Ronald op. Er zijn weinig groene voortuintjes. De meesten zijn bestraat en vaak staat er een bankje onder het raam.

Hij belt aan bij buren, een paar huizen verwijderd van Anneke.

Een man van middelbare leeftijd doet open. Hij is nog niet aangekleed en heeft duidelijk al een flinke slok op. De alcoholwalm komt zijn kant al op. Zijn slonzige broek wordt opgehouden door bretels en daaronder heeft hij alleen een smoezelig hemd aan. Zijn vette sluike haar, heeft die dag nog geen kam gezien.

Nou, daar zal ik ook niet veel wijzer van worden, bedenkt Ronald.

‘Ik wilde je vragen, of je meneer van Kampen onlangs nog gezien of gesproken hebt,’ vraagt hij toch maar.

Het antwoord verrast hem niet echt. Meneer heeft hem al een hele tijd niet meer gezien. Maar hij heeft ook niet de indruk, dat het hem wel opgevallen zou zijn, gezien de staat waarin hij verkeert. Kansloze missie, denkt Ronald. Aan deze man gaat hij geen tijd meer verspillen.

‘Oké, dan weet ik genoeg voor dit moment. Ik denk niet dat u me nog verder kan helpen. Weet u misschien iemand, die het wel zal kunnen weten?’

‘Wat dacht u van zijn vrouw,’ lalt de man met dubbele tong. ‘Die weet het vast wel, haha. Ze heeft hem zogezegd goed onder de duim.’

Hij wijst daarbij demonstratief met zijn duim naar beneden en lacht er een beetje sarrend bij.

‘Wat bedoelt u daar mee?’

‘Oh, niets. Laat maar. Ik heb niets gezegd. Als u het goed vindt, ga ik weer verder aan de borrel.’

‘U zou niet zoveel moeten drinken,’ antwoordt Ronald.

‘Laat me dat zelf maar bepalen, alsjeblieft. Bemoeit u zich niet met mijn zaken. Goedendag.’

Voordat Ronald hierop kan reageren, wordt de deur al voor hem dicht gegooid.

Even denkt hij erover om opnieuw aan te bellen, maar dan bedenkt hij, dat hij met zo’n dronken vent toch niet veel verder komt.

Hij belt bij de buren van Anneke aan.

De buurvrouw doet open en bevestigt nogmaals, dat ze René al een hele tijd niet gezien heeft. Dit heeft ze hem een tijd geleden ook al verteld. Maar ondertussen heeft ze er wel over na gedacht. Ze vindt het ook een vreemde situatie. Volgens haar ging het eigenlijk wel goed tussen Anneke en René.

‘Maar ik heb er natuurlijk niet echt kijk op he?’ zegt ze dan.

‘Je kunt niet zien wat er binnen de muren gebeurt,’ besluit ze haar relaas.

‘Waar denkt u dan aan?’ vraagt Ronald.

‘Nou, René heeft nog wel eens blauwe plekken. Hij valt nog wel eens zegt Anneke dan. Dat vind ik toch vreemd. Want voor zover ik weet, is René geen drinker,’ vervolgt ze haar verhaal.

‘En Anneke, heeft die vaak blauwe plekken?’ vraagt Ronald.

‘Nee, die niet. Ik heb het nooit gemerkt tenminste. Maar nu zijn we ook niet zo close met elkaar. Ze is niet echt een vriendin van me.’

‘Dus, u denkt niet dat Anneke veel door hem mishandeld is?’

‘Nee, dat denk ik niet. Dat zou ik gemerkt hebben. Ik heb ook nooit wat gehoord. Nee, dat weet ik zeker. Anneke wordt niet mishandeld. Ik zou eerder denken, dat René mishandeld wordt.

René is een zachtaardige man.’

Ronald laat het even tot zich door dringen. Dat is precies wat zijn collega’s over hem vertellen. Nu zegt de buurvrouw hetzelfde. Ze suggereert zelfs, dat Anneke haar man mishandelt, al zegt ze dat niet met zoveel woorden.

‘Denkt u dat Anneke haar man mishandelt?’

‘Ik zeg niets, ik heb al teveel gezegd. Ik zeg alleen, dat hij vaak onder de blauwe plekken zit en zijn hoofd kapot heeft. Maar dat kan komen, doordat hij veel valt. En misschien gebeurt dat wel ergens anders.’

Ronald besluit het hier maar bij te laten.

Hij gaat toch nog even terug naar de dierenwinkel, naar de collega’s van René. Misschien, dat die ook wat van mishandeling of blauwe plekken gemerkt hebben.

Hij voegt de daad bij het woord en loopt met flinke pas terug naar zijn auto. De buurvrouw kijkt hem bezorgd na. Als ze nu maar niet teveel verteld heeft. Ze maakt zich toch wel een beetje ongerust over de reactie van Anneke. Die doet de laatste tijd zo vreemd en afstandelijk tegen haar. Zachtjes sluit ze de voordeur.

Ondertussen stapt Ronald in de auto en rijdt richting het centrum naar de dierenwinkel waar René gewerkt heeft.

Hij vraagt naar de filiaal manager en deze brengt hem naar haar kantoor.

‘Meneer Westerik, wat verschaft mij de eer van uw bezoek? Wilt u een kop koffie?’

‘Daar heb ik wel zin in,’ antwoordt hij.

De manager gaat een kop koffie halen en schuift dan weer aan haar bureau.

‘Ik ben hier weer in verband met de heer René van Kampen,’ zegt Ronald.

‘Zoals u weet, zijn wij een onderzoek gestart naar de woon-  en verblijfplaats van René. Hij lijkt wel van de aardbodem verdwenen te zijn. Nu heb ik zojuist de buurvrouw van hem gesproken, en ze zei het niet met zoveel worden, maar toch denkt ze dat hij mishandeld wordt. Ik wil graag uw mening daar over.

Hebben u en uw collega’s ook vraagtekens bij zijn blauwe plekken. Die moeten u toch ook opgevallen zijn?’

‘Inderdaad, René heeft vaak blauwe plekken, maar hij zegt altijd dat hij gevallen is, en dat hij erg onhandig is. We hebben er nooit wat achter gezocht, maar nu hij verdwenen is, hebben we het er natuurlijk wel over. Maar een man, laat zich toch niet mishandelen?’

‘Nou, ik kan u legio voorbeelden noemen, van mannen die mishandeld worden. Vergist u zich daar niet in. Zou hij verkeerde vrienden kunnen hebben?’

‘Ik weet het niet, eerlijk gezegd,’ antwoordt de filiaal manager. ‘Ik weet wel, dat het niet zo lekker gaat tussen zijn vrouw en hem en dat hij een vriendin op de wallen heeft. Eén van de collega’s heeft ze meerdere keren samen gezien. Misschien is hij door een pooier mishandeld?’

‘Dat zou kunnen. We weten van die vriendin af. Aan die mogelijkheid heb ik nog niet gedacht. Ik zou ook graag de andere collega’s nog even spreken,’ zegt Ronald dan.

‘Dat kan, ik zal ze één voor één hier naar toe sturen.’

‘Dank u wel voor de moeite, het is weer nieuwe informatie die ik na moet trekken.’

De collega’s bevestigen het verhaal van de filiaalmanager en benadrukken nogmaals dat René een zachtaardige man was.

Als Ronald klaar is met de verhoren, vertrekt hij met zijn hoofd vol nieuwe vragen weer naar het bureau.

De receptioniste staat op het punt om naar huis te gaan.

‘Bent u daar weer Westerik?’ vraagt ze. ‘Vindt u het goed dat ik ga, of moet ik nog wat voor u doen?’

‘Nee, gaat u maar juffrouw. Ik sluit wel af. Fijne avond.’

‘U hetzelfde,’ en ze laat hem alleen op het donkere kantoor achter. Ronald blijft een hele tijd in het donker zitten.

Hij heeft heel wat om over na te denken.